Op 21 april 2026 deed het EHRM uitspraak in de zeven klachtzaken tegen Nederland wegens schending van artikel 3 EVRM. De klachten waren onafhankelijk van elkaar ingediend door zeven levenslanggestraften. Zie ‘Case of F.B. and others v. the Netherlands, appl. 28157/18’. Zie ook de eerdere berichten over deze procedures op onze website.
Het is voor het eerst dat de Nederlandse tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf door het EHRM is beoordeeld.
Het Hof verwierp de stelling van de zeven klagers dat het huidige stelsel van herbeoordeling (review) niet zou voldoen aan de voorwaarden die het EHRM aan de oplegging van de straf stelt. Er is dus geen sprake van schending van artikel 3 EVRM, aldus het Hof.
Het Hof overweegt in het bijzonder (par. 148 en 149) dat de termijn van 28 jaar alvorens de ambtshalve gratieprocedure wordt gestart, valt binnen ‘margin of appreciation’ van de Nederlandse Staat.
Deze termijn is 28 jaar na aanhouding (art. 4 lid 3 BACL). In de casus van klagers valt die termijn, zo berekende het Hof bij elke individuele klager, binnen de 25 jaar na oplegging van de straf in hoger beroep, en wel in een variatie van 1 tot 8 jaar binnen die termijn.
Het Hof berekent deze margin of appreciation bij alle zeven klagers dus vanaf de strafoplegging in hoger beroep en doet dit in navolging van Bodein/Frankrijk.
Om de berekening goed te begrijpen moet nota genomen worden van het feit dat het EHRM de termijn van 25 jaar tot aan een review genoemd in Vinter rekent vanaf oplegging van de straf en niet vanaf de inhechtenisneming, zoals is geregeld in het BACL. Bovendien berekent het hof de termijn niet vanaf de oplegging in eerste aanleg maar vanaf de oplegging van de straf in hoger beroep.
Het Forum Levenslang heeft steeds beargumenteerd dat het Nederlandse review-systeem onvoldoende aan de eisen van de EHRM-rechtspraak tegemoetkomt. Dat vindt het Forum nog steeds.
Het Forum is van mening dat de regeling in het BACL wellicht aan de Vinter-norm voldoet maar dat eerdere casus hebben laten zien dat de wijze van tenuitvoerlegging dat niet doet. De uitvoering van de regeling garandeert namelijk niet dat binnen de termijn van 28 jaar zodanige mogelijkheden tot re-integratie worden geboden dat gratieverlening tot de reële mogelijkheden behoort. Zie daarover W.F. van Hattum, ‘Een regeling op krukken. De oplegging van de levenslange gevangenisstraf, naar aanleiding van HR 8 juli 2025‘, NJB 2025/2522.
Om deze reden biedt naar de mening van het Forum Levenslang de huidige Nederlandse regeling aan levenslanggestraften onvoldoende perspectief.
(wordt vervolgd)
W.F. van Hattum, 23 april 2026
