Onlangs bracht het WODC een rapport uit naar de gevolgen van lange detenties (S.E. Boschman, S. Verweij en M.L. Berghuis, Gevolgen van lange detenties. Een literatuurstudie naar de gevolgen van het leefklimaat in detentie voor langgestrafte personen, WODC Cahier 2025-9).
Het is een gedegen onderzoek naar het leefklimaat in detentie voor langgestrafte personen en het verdient alle aandacht.
Over de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf staat er echter helaas een feitelijke onjuistheid in het rapport (par. 3.3.2, ‘Levenslanggstrafte personen’, p. 38). Daar staat:
“In Nederland kunnen personen voor een aantal delicten een levenslange gevangenisstraf krijgen. In tegenstelling tot in veel andere Europese landen betekende een levenslange gevangenisstraf in Nederland ook werkelijk dat mensen tot hun dood gedetineerd bleven. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft verklaard dat dit onmenselijk is en dat er een reëel uitzicht op herbeoordeling moet zijn. Sinds 2017 is er daarom een ambtshalve gratieprocedure voor levenslanggestrafte personen (Hofman et al., 2022; RSJ, 2022a)”.
Het gaat om het cursieve stukje “In tegenstelling tot in veel andere Europese landen betekende een levenslange gevangenisstraf in Nederland ook werkelijk dat mensen tot hun dood gedetineerd bleven.”
Dit is volstrekt niet juist maar helaas wel helaas een wijdverbreid misverstand. Daarom vestigt het Forum Levenslang er hier graag de aandacht op dat de levenslange gevangenisstraf in Nederland helemaal niet altijd ook letterlijk ‘levenslang’ was.
Tot ca. 2004 was het uitgangspunt van het gratiebeleid dat levenslanggestraften na zekere tijd in aanmerking kwamen voor gratie als dat uit oogpunt van veiligheid mogelijk was. Zo was het onder dit ‘oude’ beleid de gewoonte om na vijftien, later zelfs na tien jaar, te onderzoeken of het nodig was de straf voort te zetten. Gratie werd verleend ’ter voorkoming van de verstoring van reclasseringskansen’. Dan werd gekeken of een detentieplan kon worden uitgestippeld om de voorbereiding op eventuele terugkeer in de samenleving mogelijk te maken. De gemiddelde detentie duurde daardoor in de vorige eeuw niet langer dan 17 jaar.
Door de beleidswijziging rond 2004 veranderde de levenslange straf in een straf die – wat de bewindslieden betreft – in beginsel daadwerkelijk levenslang moest duren. “Levenslang is levenslang” werd het adagium. Maar tot aan 2004 was het beleid en de tenuitvoerlegging ten aanzien van levenslange gevangenisstraf in overeenstemming met de eisen die het EHRM daaraan stelt, pas daarna niet meer.
Heeze, 1 april 2026
P.C. Braun
