Uit een overzicht van 1889 tot 1963, gemaakt door het ministerie van Justitie, blijkt dat niet één levenslange straf tot de dood ten uitvoer is gelegd. Wel zijn sommige veroordeelden binnen 10 jaar na oplegging van de straf overleden, nog voordat gratie kon worden overwogen. Het doel was gratie te verlenen als dat mogelijk was, “ter voorkoming van het verloren gaan van de reclasseringskansen”.
In 1975 is gratie verleend aan Dokter O. Dokter O zat twee levenslange gevangenisstraffen uit. Een wegens de moord op zijn vrouw en een wegens de moord op een medelevenslanggestrafte. De begeleidende brief van de Staatssecretaris van Justitie van 13 februari 1975 gaf uitdrukking aan het toen heersende uitgangspunt dat gratie diende te worden verleend ‘indien dat mogelijk’ was. Daarna is gratie verleend aan Hans van Z. in 1986. Van Z. zat toen 19 jaar in detentie. Zijn straf werd omgezet in een tijdelijke straf van 28,5 jaar, waardoor hij meteen voor VI (voorwaardelijke invrijheidstelling) in aanmerking kwam omdat reeds twee derde van de straf was ondergaan. Van 1975 tot 1986 was Hans van Z. de enige levenslanggestrafte in Nederland.
