Van doodstraf naar levenslang
“De levenslange straf is eene pijniging, die den mensch kan verlagen tot het peil van het redelooze dier, omdat alle hoop in de toekomst wordt ontnomen (…) dat is pijniging zoo niet van het ligchaam, dan toch, veel erger, van de ziel”, zei Tweede Kamerlid De Brauw in 1870 toen in de Kamer werd gesproken over de vervanging van de doodstraf door de invoering van de levenslange gevangenisstraf (1).
De tenuitvoerlegging van doodstraf was sinds 1860 opgeschort en om de leemte te vullen, werd de levenslange gevangenisstraf geïntroduceerd. Dit ging niet zonder slag of stoot, maar uiteindelijk werd de invoering door de toenmalige Minister van Justitie Van Lilaar aanvaard, mits de mogelijkheid tot gratie bleef bestaan. De levenslange gevangenisstraf bleef een omstreden onderwerp en met het nieuwe Wetboek van Strafrecht (ingevoerd in 1886) in aantocht, laaide de discussie weer op. ‘Met bloedend hart’ besloot de Minister van Justitie Modderman de volgens hem ‘in beginsel niet deugende’ straf te handhaven. Zodoende kennen wij nu artikel 10 Wetboek van strafrecht met daarin de mogelijkheid tot het opleggen van een tijdelijke of levenslange gevangenisstraf en is gratie niet uitgesloten voor levenslanggestraften.
Gratie (tot 2017)
Gratie is steeds de enige mogelijkheid tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf geweest. Uit bestudering van oude gratie dossiers en uit een oud overzicht van het ministerie blijkt onder meer dat tot 1986 niet één levenslange straf tot de dood ten uitvoer werd gelegd, degenen die binnen tien jaar na oplegging van de straf overleden niet meegerekend. Minister Samkalden formuleerde in 1957 de grond voor gratie aan (levens)langgestraften als ‘voorkoming van de verstoring van reclasseringskansen’ (2).
Van 1945 tot 1986 zijn 16 levenslanggestraften na gratieverlening vrijgelaten. Tussen 1986 en 2009 werd slechts één keer gratie verleend. Sinds de inwerkingtreding van de Gratiewet in 1986 zijn er geen beleidsregels uitgevaardigd die erop duiden dat het ‘oude’ gratiebeleid is gewijzigd. Wel werd in 2000 de Volgprocedure ingetrokken (deze procedure voorzag in een regelmatig onderzoek naar de lichamelijke en geestelijke toestand van de levenslanggestrafte) maar dit beoogde slechts een organisatorische verandering. In 2010 heeft Minister van Justitie Hirsch Ballin zich op het standpunt gesteld dat niet moet worden geconcludeerd ‘dat sprake zou zijn van een fundamentele breuk met het in het verleden gevoerde beleid’ (3). De praktijk van de tenuitvoerlegging en andere uitspraken van bewindslieden duiden echter op het verlaten van het ‘oude’ beleid. Zo zei Staatssecretaris Albayrak in 2008 op een RSJ-congres dat het verblijf van levenslanggestraften in gevangenissen ‘uiteraard niet [is] gericht op terugkeer in de samenleving’.
Levenslang in de 21ste eeuw
“(..) levenslang. Dat is gewoon voor de rest van het leven” (4)
In 2006 is het maximum van de tijdelijke gevangenisstraf verhoogd naar 30 jaar met als doel het gat tussen tijdelijk en levenslang te verkleinen (5). Behalve door middel van een verzoek om gratie is het mogelijk langs civiele weg een gebod tot invrijheidstelling aan de civiele rechter te vragen. Tot nog toe is nimmer een levenslanggestrafte in vrijheid gesteld door de civiele rechter. De minister noemde het in 2004 een ‘theoretische’ mogelijkheid (6). Regelmatig is, ook door ministers en adviescolleges, aangedrongen op een regeling tot voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) of een rechterlijke toets voor levenslanggestraften. Dat is er nooit van gekomen.
Het EHRM hanteert duidelijke eisen ten aanzien van de levenslange gevangenisstraf. In 2013 stelde het Hof zich in de zaak Vinter e.a. tegen het Verenigd Koninkrijk op een belangrijk standpunt. Uit zowel nationale als internationale wetgeving volgt dat de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf op een gegeven moment moet worden herzien (7). Over het Nederlandse levenslangbeleid is (nog) geen specifieke uitspraak gedaan door het Hof. Wel oordeelde het Hof in de zaak Murray tegen Nederland (2016) dat er altijd een reëel perspectief op invrijheidstelling dient te bestaan (8).
Per 1 maart 2017 is het Besluit Adviescollege Levenslanggestraften (BACL) in werking getreden. Op basis van dit Besluit moet het ACL advies geven over de re-integratiemogelijkheden van een levenslanggestrafte. 25 jaar na aanvang van de detentie wordt het eerste advies uitgebracht. Daarbij wordt gekeken naar het recidiverisico, de delictgevaarlijkheid, het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte gedurende zijn detentie en de impact op de slachtoffers en nabestaanden en in de sleutel daarvan de vergelding (9). De Minister voor Rechtsbescherming besluit vervolgens of daadwerkelijk gestart mag worden met re-integratieactiviteiten. Na 28 jaar detentie besluit de Minister, naar aanleiding van een ambtshalve gratieverzoek, een over het al dan niet verlenen van gratie. Iedere twee jaar brengt het ACL een ‘tweejaarsbericht’ uit. De meest recente rapportage is gepubliceerd in april 2025.
1. ‘Met de deur voorgoed dicht is er alleen nog wanhoop’, Trouw.nl, 8 maart 2014.
2. Handelingen II, 1956/57, 4500 (Justitiebegroting) ,p. 2307-2308.
3. Rechtsgeleerdheid Magazijn Themis 2010, nr. 2, p. 80.
4. Kamerdebat 1 juni 2004, K. 28 484, 34, p. 30-31, Minister van Justitie Donner.
5. Wet ‘Herijking strafmaxima’ van 22 december 2005, K. 28 484, S. 2006, 11 en S. 2006, 23.
6. Aanhangsel Handelingen II, 2003/04, nr. 1972, p. 4170.
7. EHRM 9 juli 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0709:JUD006606909 (Vinter a.o. v. The UK), rov. 119-124.
8. EHRM 26 april 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0426JUD001051110 (Murray v. The Netherlands), rov. 99-104.
9. Artikel 4 lid 4 Besluit ACL.
Laatst bijgewerkt: 9 april 2026
