Op 8 juli 2025 oordeelde de voltallige kamer van de Hoge Raad dat de levenslange gevangenisstraf formeel gezien op dit moment niet in strijd is met artikel 3 EVRM. Op 10 februari 2026 heeft de drievoudige kamer van de Hoge Raad deze overwegingen herhaald. Het huidige herbeoordelingsmechanisme voldoet daarbij juridisch gezien aan de daaraan te stellen eisen. Dit laat onverlet dat de Hoge Raad de mogelijkheid uitdrukkelijk openhoudt dat de praktijk van de tenuitvoerlegging wel in strijd kan komen met artikel 3 EVRM. Dit kan het geval zijn wanneer vast komt te staan dat de levenslange gevangenisstraf feitelijk nooit wordt verkort. Daarbij hecht de Hoge Raad er waarde aan dat levenslanggestraften, indien blijkt dat er zich in praktijk strijdigheid met artikel 3 EVRM voordoet, dit kunnen aanwenden bij de civiele rechter. Aan dit oordeel van de Hoge Raad is een lange juridische ontwikkeling vooraf gegaan. Deze wordt hieronder uiteengezet.
Op 5 juli 2016 oordeelde de Hoge Raad dat de Nederlandse tenuitvoerleggingspraktijk van de levenslange gevangenisstraf op dat moment niet voldeed aan de eisen van artikel 3 EVRM. De gratieprocedure was afhankelijk van het initiatief van de veroordeelde zelf, er bestond geen specifieke herbeoordelingsprocedure voor levenslanggestraften, en een vervanger voor de in 2000 afgeschafte ‘volgprocedure langgestraften’ was er nooit gekomen. De bestaande mogelijkheden via gratie of de civiele rechter schoten tekort.
Bij dit oordeel steunde de Hoge Raad op drie eerdere uitspraken van het EHRM: Kafkaris tegen Cyprus (2008), Vinter e.a. tegen het Verenigd Koninkrijk (2013) en Murray tegen Nederland (2016).
Uit deze uitspraken destilleerde de Hoge Raad concrete eisen voor een geldig herbeoordelingsmechanisme. De centrale vraag bij elke herbeoordeling moet zijn of de veroordeelde zodanig is veranderd en zoveel vooruitgang heeft geboekt in zijn resocialisatie, dat verdere detentie niet langer gerechtvaardigd is. De gehanteerde criteria mogen daarbij niet zo streng zijn dat vrijlating alleen mogelijk is bij ernstige ziekte, een fysiek beletsel of hoge leeftijd. Ook moet de veroordeelde al bij het opleggen van de straf weten welke criteria bij de herbeoordeling worden gehanteerd, zodat hij weet waar hij aan toe is. De herbeoordeling moet uiterlijk 25 jaar na oplegging plaatsvinden en met voldoende procedurele waarborgen zijn omgeven. Tot slot moet de veroordeelde vóór die herbeoordeling al reële mogelijkheden krijgen om te werken aan zijn resocialisatie. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak niet maar gaf de politiek de ruimte om wijzigingen door te voeren en hield de zaak aan tot september 2017.
Op 19 december 2017 nam de Hoge Raad een vervolgbeslissing over de bovenstaande zaak. De politiek had de geboden ruimte benut en dat bleek toereikend. Het nieuwe stelsel werd gevormd door het Besluit Adviescollege levenslanggestraften dat op 1 maart 2017 in werking trad en in juni 2017 werd aangescherpt, aangevuld met wijzigingen in twee penitentiaire regelingen.
Het stelsel werkt kort gezegd als volgt. Uiterlijk 25 jaar na aanvang van de detentie brengt het Adviescollege levenslanggestraften een eerste advies uit over de vraag of, en zo ja voor welke re-integratieactiviteiten de veroordeelde in aanmerking komt. Voorafgaand wordt de veroordeelde onderzocht in het Pieter Baan Centrum. Het Adviescollege hoort de veroordeelde, slachtoffers en nabestaanden en toetst aan de criteria: het recidiverisico, de delictgevaarlijkhei, het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte tijdens detentie en de impact op slachtoffers en nabestaanden.. De minister beslist vervolgens over de re-integratieactiviteiten en kan van een positief advies alleen gemotiveerd afwijken. Uiterlijk 28 jaar na aanvang van de detentie wordt gratieverlening ambtshalve beoordeeld waarbij het gerecht dat de straf oplegde een in beginsel leidend advies uitbrengt. Een negatieve gratiebeslissing kan worden aangevochten bij de civiele rechter.
De Hoge Raad concludeerde dat dit stelsel voldoet aan de eisen van artikel 3 EVRM maar plaatste daarbij een nadrukkelijk voorbehoud: mocht in de toekomst blijken dat de levenslange gevangenisstraf ook onder het nieuwe stelsel in de praktijk nooit wordt verkort dan zal dat zwaar wegen bij de beoordeling of oplegging of verdere tenuitvoerlegging nog verenigbaar is met artikel 3 EVRM.
Zoals hierboven ook al aangehaald heeft de Hoge Raad in het arrest van 10 februari 2026 zijn overwegingen van 8 juli 2025 onverkort herhaald. Hoewel niet wordt uitgesloten dat een rechter in de toekomst zal oordelen dat de levenslange gevangenisstraf in strijd is met artikel 3 EVRM, is dat nu nog niet het geval. Dat oordeel zal dan moeten berusten op de praktische tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf. Daarnaast zal moeten blijken dat de levenslange gevangenisstraf ‘de facto irreducible’ is.
